Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de 15de eeuw by M. Lievevrouw-Coopman

Currently reading: Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de 15de eeuw by M. Lievevrouw-Coopman – Its about the history of belgium – about the land of eburones, nervians, and menapians – The roman invasions and Ambiorix and many other stuff.. It’s fun reading, more in a tale-telling way… It’s in Dutch tho and it kind of reads like a children’s book, but I’m used to reading lots of folk and fairy tales, so I dont mind the writing style! You can download it, or read it online here: http://www.gutenberg.org/ebooks/11288 – I never read online, i pinch everything into my e-reader lol – epub format works great for that😉
Enjoy!

I will post one part of the book, so you know what kind of style etc. it is in, so you can easily decide if it’s for you or not.

5.–Aan den Voet van den Reuzeneik.
Heerlijk en trotsch verhief zich de machtige boom in het midden der
vlakte; honderden stormen had hij getrotseerd, honderden winters
beleefd; ‘s zomers rustte het vee in zijne schaduw en honderden vogels
kweelden in zijne takken.

Thans, ofschoon de lente nauwelijks in aantocht was, hielden aan zijn
bemosten voet, de menschen eene plechtige vergadering;–vroeg in den
morgen waren zij in menigte aangekomen, langs de kronkelende paden, die
men, hier en daar, in wouden en heiden aantrof.

De meesten onderscheidden zich door hunne hooge gestalte, hunne lange,
roodgeverfde lokken en krachtige ledematen.

[Hoofddeksel.]

[Schild.]

[Helm.]

Allen schenen krijgslieden te zijn, sommigen hadden op het hoofd eenen
helm, waaraan vleugels van roofvogels of hoornen van dieren waren
vastgemaakt en hunne wapens: lansen, pieken, zwaarden, schitterden in
het zonnelicht. Allen droegen nauwsluitende kleederen, sommigen ook
bontgestreepte kolders, zonder mouwen en, als sieraad of
herkenningsteeken, fraai bewerkte hals-of armbanden, terwijl nog anderen
een korten pelsmantel om de schouders hadden geslagen.

Die mantel bewees dat zij jagers waren, want zij hadden de klauwen van
het door hen gedoode dier niet weggenomen, zelfs bemerkte men hier en
daar eenen krijgsman, die zijne kap met den ruigen kop van eenen beer of
van een everzwijn had versierd.

De opperhoofden herkende men aan de pracht hunner wapens en telkens
wanneer een nieuwe troep verscheen, begroetten de aanwezigen dien met
luide welkomskreten.

Plotseling verving eene eerbiedige stilte het luide gegons der menigte,
de stoet der druïden of priesters naderde. Voetknechten, voorzien van
lansen en schitterende pieken gingen vooraan.–Op eenigen afstand
volgden de barden of gewijde zangers; zij hielden snarentuigen in de
hand en hieven, bij beurten, strijdzangen aan, die de anderen in koor
herhaalden.

Nu verscheen een man, die door al de omstanders met eerbied werd
begroet. «Boduognat! hoofdman der Nerviërs,» fluisterden de dichte
scharen en Boduognat, wiens naam «Gewoon aan overwinning» beteekende,
scheen dien eeretitel te verdienen; heel zijn uiterlijk getuigde van
mannelijke kracht, terwijl zijn hoog voorhoofd en zijne donkere,
ernstige oogen wijsheid en nadenken verrieden.

De beste krijgslieden des lands hadden zich, als eene eerewacht, om hem
geschaard. De opperdruïde en zijne priesters, in lange, witte kleederen,
volgden en hunne lijfwacht sloot den stoet, die zich in volmaakte orde
rondom den eik plaatste.

De krijgsbazuinen schalden en onmiddellijk daarna nam een der
opperhoofden het woord.

«Mannen» sprak hij, «groote gevaren bedreigen ons. Julius Caesar, de
vermaarde Romeinsche krijgsoverste, nadert onze streek en stelt zich
voor, ons aan zijne macht te onderwerpen. Zullen wij, kloeke Nerviërs,
de dapperste der Belgen, zulks laten gebeuren?»

Een vreeselijk gemompel, dat het geraas van den naderenden storm geleek,
verhief zich op deze vraag.–«Neen,» vervolgde de spreker, «neen, we
zullen onze vrouwen, onze vrijheid, onze velden, dapper verdedigen.»

Daverende toejuichingen beantwoordden deze aanspraak, maar de
krijgshoorn schalde, de mannen zwegen en de spreker vervolgde: «De
vijand is listig en behendig; tegenover Caesar, die, zegt men, al de
stammen van Midden-Gallië overwon, moeten wij een opperhoofd plaatsen,
dat voor geen Romein in dapperheid en krijgskunst onderdoet!»

«Boduognat! Boduognat!» riepen allen uit éenen mond en duizenden
krijgslieden, hunkerend naar strijd en overwinning, staken zwaarden,
lansen, standaards, schilden omhoog en begroetten aldus den bij
algemeenheid van stemmen gekozen hoofdman.

Toen de geestdrift eenigszins was bedaard, brachten de dienaars der
druïden twee jonge, witte stieren aan. Deze werden als offeranden aan de
godheid geslacht en, in het nog rookend ingewand dezer dieren, lazen de
priesters den wil des Allerhoogsten.

«God is ons genegen» sprak de opperdruide, «de fortuin zal ons gunstig
wezen.»

Wederom klonk het gekletter der wapens, schilden werden in de hoogte
geheven, luide vreugdekreten weerklonken.

Toen de offerande was volbracht, keerden de priesters en hun gevolg naar
het geheimzinnig woud terug, waar zij in volledige afzondering hun leven
wijdden aan studie en godgeleerdheid.

Het volk echter toefde nog langen tijd onder den eik.–Mondbehoeften en
schuimend bier werden aangebracht en de drinkhoorn geledigd op de
aanstaande overwinning.

Source: http://www.gutenberg.org/files/11288/11288-h/11288-h.htm

Happy reading!

Published by

sjpielsewolf

Interested in germanic heathenry, lore, original fairy- and folktales, shamanism and lots of other related worldly stuff. I walk and cycle alot in nature, read, play various instruments etc.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s