recitation gisli s evil dreams (chapter 17)

recitation from gisli an outlaw

ilja practices noorse bruiloft / nordic wedding on keyboard

Het lied van Skirnir

Freyr, de zoon van Njord, zat op een dag op de troon Hlidskjalf. Als hij daar zat, kon hij alle werelden overzien. Hij keek vanuit zijn troon naar Jotunheim, waar de reuzen wonen. Hij zag hoe een mooi meisje van haar vaders zaal naar haar eigen kamer liep. Hij vond het meisje zó mooi, dat hij op slag verliefd werd! Hij at niet meer, sprak niet meer, en dacht alleen nog maar aan dat mooie, maar onbekende meisje.

 

Njord, de vader van Freyr weet niet wat er met zijn zoon aan de hand is. Daarom vraagt hij Skirnir, de vriend en dienaar van Freyr om met hem te praten.

 

Njord:

 

1 Ga nu, en praat met mijn zoon.

Probeer te ontdekken,

Waardoor hij toch zo raar doet.

 

Skirnir:

 

2 Is goed, ik zal met je zoon praten.

Zo gauw ik weet waarom hij zo raar doet,

laat ik het je weten.

 

Skirnir ging naar Freyr toe…

 

Skirnir:

 

3 Zeg eens mooie Freyr, belangrijkste van de goden,

Ik zou wel heel graag willen weten,

Waarom je hier al dagenlang in je eentje zit,

In die grote brede zaal.

 

Freyr:

 

4 Hoe zal ik jouw vertellen,

Jij jonge held,

Van mijn grote verdriet?

Ook al komt de zon elke ochtend  op,

Om met zijn stralen alles te verlichten,

Mijn diep verlangen,

Zullen de zonnestralen nooit verlichten.

 

Skirnir:

 

5 Volgens mij,

Zijn jouw verlangens niet zo groot,

Dat je ze mij niet zou mogen vertellen.

We hebben elkaar al altijd, vanaf dat we  nog klein waren,

Kunnen vertrouwen.

 

Freyr:

 

6 Ik heb een leuk meisje uit het huis van de reus Gymir zien komen.

Haar armen schitterden zo erg,

Dat van de glans,

Heel de lucht en de zee licht gaven.

 

7 Nooit eerder,

Heeft een meisje meer voor een man betekend,

Maar geen van de goden of elven,

Zal het goed vinden,

Dat zij en ik samen zijn.

 

Skirnir:

 

8 Geef me dan het paard dat door het donker,

En magisch flikkerende vlammen gaat.

Geef me ook het zwaard dat op eigen kracht,

Tegen de grimmige reuzen vecht.

 

Freyr:

 

Ik geef je het paard dat door het donker,

En magische vlammen gaat.

Ook geef ik je het zwaard dat als vanzelf vecht,

Tegen de grimmige reuzen,

Als een waardige held het gebruikt.

 

Skirnir zegt tegen het paard:

 

10 Donker is het zonder jouw,

Ik denk dat de tijd gekomen is,

Om door de wilde bergen,

Naar waar  de reuzen zijn te rijden,

We zullen beiden terugkomen,

Anders heeft de verschrikkelijke reus,

Ons beiden gegrepen.

 

Skirnir reed Jotunheim, waar de reuzen wonen binnen,

Op weg naar het huis van de reus Gymir.

Gevaarlijke honden aan kettingen,

Voor de poort van het hek,

Dat om het huis van Gerda lag.

Hij reed naar een herder toe,

Die op een heuvel zat,

En sprak:

 

11 Vertel me herder,

Zittend op je heuvel,

Vanwaar je alle wegen kunt zien:

Hoe kan ik het meisje spreken,

Voorbij de honden van Gymir?

 

De herder:

 

12 Ben je gedoemd te sterven,

Of ben je al dood?

Jij ruiter die naar hier is gereden.

Nooit zul jij spreken,

Met de mooie dochter van Gymir!

 

Skirnir:

 

13 Dapperheid is beter,

Dan praten alleen,

Mijn voeten hebben mij hierheen gebracht,

Het lot heeft al bepaald wanneer ik zal sterven,

Mijn hele leven is al uitgestippeld,

En  alles heeft naar dit punt geleid.

 

Gerda:

 

14 Wat is dat voor een lawaai,

Dat ik hoor in ons huis?

De grond schudt,

Het hele huis van Grymnir,

En alles om mij heen,

Rammelt ook!

 

Dienstmaagd:

 

15 Er staat iemand  buiten,

Die van zijn paard gesprongen is,

En zijn paard vrij laat grazen….

 

Gerda:

 

16 Vraag de man naar binnen te komen,

En goede mede te drinken,

Hier in onze hal.

Maar ik denk,

Dat daarbuiten,

De moordenaar van mijn broer staat!

 

17 Ben jij een Elf, een kind van de Azen,

Of een van de wijze Wanen?

Hoe kwam jij in je eentje door de springende vlammen heen,

Zodat je onze huizen kon zien?

 

Skirnir

 

18 Ik ben geen Elf, ook geen Aze,

Ook van de wijze Wanen ben ik er geen.

Maar ik kwam wel in mijn eentje door de vlammen,

Om je huis te bekijken.

 

19 Elf appels, allen van goud,

Zal ik je hier nu geven Gerda,

Om je trouw te kopen,

Zodat Freyr,

Jouw liefste zal worden.

 

Gerda:

 

20 Ik zal die elf appels nooit aannemen,

Van geen enkele man.

Ook zullen ik en Freyr,

Nooit samen in een huis wonen,

Zolang we beiden leven.

 

Skirnir:

 

21 Dan breng ik jouw de ring,

Die lang geleden samen,

Met de zoon van Odin verbrand is.

Van deze ring vallen acht nieuwe ringen,

Van hetzelfde gewicht,

Op elke negende nacht.

 

Gerda:

 

22 De ring hoef ik niet,

Ook al was hij lang geleden samen,

Met de zoon van Odin verbrand.

In het huis van Gymir,

Is er geen gebrek aan goud,

Mijn vader is al rijk genoeg.

 

Skirnir:

 

23 Zie jij meisje,

Dit scherpe, heldere zwaard,

Dat ik hier in mijn hand hou?

Ik zal meteen je hoofd van je nek slaan,

Als jij niet doet wat ik wil.

 

Gerda:

 

24 Door niemand,

Zal ik me zo laten sturen door macht.

Maar gelukkig zal Gymir graag met je vechten,

Als hij je hier tegenkomt.

 

Skirnir:

 

25 Zie jij meisje,

Dit scherpe, heldere zwaard,

Dat ik hier in mijn hand hou?

Voordat het blad de oude reus raakt,

Is je vader gedoemd te sterven.

 

26 Ik sla je meisje,

Met mijn magische staf,

Om jouw te temmen,

En je te laten doen wat ik wil.

Je zult daar heen gaan,

Waar geen man je ooit nog kan zien.

 

27 Op de heuvel van de adelaar,

Zul je altijd zitten,

Met het uitzicht op de poorten van Hel.

Je vlees zal nog walgelijker voor jezelf worden,

Dan de grauwe midgaardslang voor de mens is.

 

28 Akelig om te zien,

Als je tevoorschijn komt.

De reus Hrimnir zal je aanstaren,

Mensen zullen zich verafschuwen als ze je zien.

Je zult beroemder worden dan de wachter van de goden!

Tuur maar verder, vanuit je gevangenis.

 

29 Woede en verlangen,

Voetboeien en boosheid,

Tranen en kwelling wens ik jouw.

Waar je gaat zitten,

Zal mijn vloek met heel mijn hart,

En twee keer zo zwaar,

Op jouw uitwerken.

 

30 In het huis van de reus,

Zullen walgelijke dingen,

Je elke dag met kwade daden schaden.

Mislukking zul je krijgen, in plaats van blijdschap,

En verdriet te lijden met tranen.

 

31 Met driekoppige reuzen,

Zul je ooit samenwonen,

Of je zult nooit een man hebben.

Laat het verlangen je grijpen,

Laat het misbruik je misbruiken.

Ben als de distel die in een donkere hoek,

weggegooid en verpletterd wordt.

 

32 Ik ga naar het woud,

En naar het natte bos,

Om een magische staf te winnen..

Ik won een magische staf.

 

33 Odin wordt boos,

Kwaad is de beste der goden,

Freyr zal je vijand zijn,

Meest slechte meid,

Met de magische boosheid,

Van de goden tegen je gekeerd.

 

34 Let op heersers van de vorst,

Hoor het reuzen,

Zonen van Suttung,

En goden, jullie ook,

Hoe ik verbied,

En hoe ik ban,

De ontmoeting van mannen met de meid,

Het plezier van mannen met de meid!

 

35 Hrimgrimnir is hij,

De reus die jouw zal hebben,

In de diepte bij de deuren van Hel.

Naar de hal van de ijsreuzen zul je elke dag gaan,

Kruipend en verlangend zonder hoop.

 

36 Laagstaande ellendelingen,

Aan de wortel van de boom,

Zullen de smerige drinkhoorns voor je vasthouden.

Een drank die beter bij je past zul je nooit vinden,

Dat aan jouw wensen voldoet,

Dat aan mijn wensen voldoet.

 

37 Ik schreef je een toverspreuk met drie runen erin:

Verlangen, gekte en lust.

Maar wat ik geschreven heb,

Kan ik ongedaan maken,

Mocht ik dat nodig vinden.

 

Gerda:

 

38 Voel je liever welkom,

En neem een koude beker gevuld met mede,

Maar ik geloofde niet,

Dat ik ooit zoveel zou houden,

Van een van de Wanen.

 

Skirnir:

 

39 Mijn boodschap aan Freyr,

Moet ik nu echt weten,

Voordat ik huiswaarts rijd:

Hoe snel zal je,

Met de machtige zoon van Njord,

Een ontmoeting hebben?

 

Gerda:

 

40 Barri is er,

Dat we beiden goed kennen,

Een mooi en rustig bos.

Na negen nachten,

Zal aan de zoon van Njord,

Door Gerda,

Genot gegeven worden.

 

Toen reed Skirnir naar huiswaarts.

Freyr stond buiten,

Sprak met hem,

En vroeg hem naar de boodschap:

 

41 Vertel me skirnir,

Voordat je het zadel afdoet,

Of een stap naar voren zet:

Wat heb je gedaan,

In het huis van de reus,

Om jouw of mij blij te maken?

 

Skirnir:

42 Barri is er,

Dat we beiden goed kennen,

Een mooi en rustig bos.

Na negen nachten,

Zal aan de zoon van Njord,

Door Gerda,

Genot gegeven worden.

 

Freyr:

 

43 Lang is een nacht,

Langer zijn twee,

Hoe zal ik er drie volhouden?

Vaak heeft mij,

Een maand korter geleken,

Dan nu een halve nacht van verlangen.

attempt reading nord frisian

plat, rippuarisch,

Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de 15de eeuw by M. Lievevrouw-Coopman

Currently reading: Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de 15de eeuw by M. Lievevrouw-Coopman – Its about the history of belgium – about the land of eburones, nervians, and menapians – The roman invasions and Ambiorix and many other stuff.. It’s fun reading, more in a tale-telling way… It’s in Dutch tho and it kind of reads like a children’s book, but I’m used to reading lots of folk and fairy tales, so I dont mind the writing style! You can download it, or read it online here:
http://www.gutenberg.org/ebooks/11288
– I never read online, i pinch everything into my e-reader lol – epub format works great for that ;)
Enjoy!

I will post one part of the book, so you know what kind of style etc. it is in, so you can easily decide if it’s for you or not.

 

5.–Aan den Voet van den Reuzeneik.
Heerlijk en trotsch verhief zich de machtige boom in het midden der
vlakte; honderden stormen had hij getrotseerd, honderden winters
beleefd; ‘s zomers rustte het vee in zijne schaduw en honderden vogels
kweelden in zijne takken.

Thans, ofschoon de lente nauwelijks in aantocht was, hielden aan zijn
bemosten voet, de menschen eene plechtige vergadering;–vroeg in den
morgen waren zij in menigte aangekomen, langs de kronkelende paden, die
men, hier en daar, in wouden en heiden aantrof.

De meesten onderscheidden zich door hunne hooge gestalte, hunne lange,
roodgeverfde lokken en krachtige ledematen.

[Hoofddeksel.]

[Schild.]

[Helm.]

Allen schenen krijgslieden te zijn, sommigen hadden op het hoofd eenen
helm, waaraan vleugels van roofvogels of hoornen van dieren waren
vastgemaakt en hunne wapens: lansen, pieken, zwaarden, schitterden in
het zonnelicht. Allen droegen nauwsluitende kleederen, sommigen ook
bontgestreepte kolders, zonder mouwen en, als sieraad of
herkenningsteeken, fraai bewerkte hals-of armbanden, terwijl nog anderen
een korten pelsmantel om de schouders hadden geslagen.

Die mantel bewees dat zij jagers waren, want zij hadden de klauwen van
het door hen gedoode dier niet weggenomen, zelfs bemerkte men hier en
daar eenen krijgsman, die zijne kap met den ruigen kop van eenen beer of
van een everzwijn had versierd.

De opperhoofden herkende men aan de pracht hunner wapens en telkens
wanneer een nieuwe troep verscheen, begroetten de aanwezigen dien met
luide welkomskreten.

Plotseling verving eene eerbiedige stilte het luide gegons der menigte,
de stoet der druïden of priesters naderde. Voetknechten, voorzien van
lansen en schitterende pieken gingen vooraan.–Op eenigen afstand
volgden de barden of gewijde zangers; zij hielden snarentuigen in de
hand en hieven, bij beurten, strijdzangen aan, die de anderen in koor
herhaalden.

Nu verscheen een man, die door al de omstanders met eerbied werd
begroet. «Boduognat! hoofdman der Nerviërs,» fluisterden de dichte
scharen en Boduognat, wiens naam «Gewoon aan overwinning» beteekende,
scheen dien eeretitel te verdienen; heel zijn uiterlijk getuigde van
mannelijke kracht, terwijl zijn hoog voorhoofd en zijne donkere,
ernstige oogen wijsheid en nadenken verrieden.

De beste krijgslieden des lands hadden zich, als eene eerewacht, om hem
geschaard. De opperdruïde en zijne priesters, in lange, witte kleederen,
volgden en hunne lijfwacht sloot den stoet, die zich in volmaakte orde
rondom den eik plaatste.

De krijgsbazuinen schalden en onmiddellijk daarna nam een der
opperhoofden het woord.

«Mannen» sprak hij, «groote gevaren bedreigen ons. Julius Caesar, de
vermaarde Romeinsche krijgsoverste, nadert onze streek en stelt zich
voor, ons aan zijne macht te onderwerpen. Zullen wij, kloeke Nerviërs,
de dapperste der Belgen, zulks laten gebeuren?»

Een vreeselijk gemompel, dat het geraas van den naderenden storm geleek,
verhief zich op deze vraag.–«Neen,» vervolgde de spreker, «neen, we
zullen onze vrouwen, onze vrijheid, onze velden, dapper verdedigen.»

Daverende toejuichingen beantwoordden deze aanspraak, maar de
krijgshoorn schalde, de mannen zwegen en de spreker vervolgde: «De
vijand is listig en behendig; tegenover Caesar, die, zegt men, al de
stammen van Midden-Gallië overwon, moeten wij een opperhoofd plaatsen,
dat voor geen Romein in dapperheid en krijgskunst onderdoet!»

«Boduognat! Boduognat!» riepen allen uit éenen mond en duizenden
krijgslieden, hunkerend naar strijd en overwinning, staken zwaarden,
lansen, standaards, schilden omhoog en begroetten aldus den bij
algemeenheid van stemmen gekozen hoofdman.

Toen de geestdrift eenigszins was bedaard, brachten de dienaars der
druïden twee jonge, witte stieren aan. Deze werden als offeranden aan de
godheid geslacht en, in het nog rookend ingewand dezer dieren, lazen de
priesters den wil des Allerhoogsten.

«God is ons genegen» sprak de opperdruide, «de fortuin zal ons gunstig
wezen.»

Wederom klonk het gekletter der wapens, schilden werden in de hoogte
geheven, luide vreugdekreten weerklonken.

Toen de offerande was volbracht, keerden de priesters en hun gevolg naar
het geheimzinnig woud terug, waar zij in volledige afzondering hun leven
wijdden aan studie en godgeleerdheid.

Het volk echter toefde nog langen tijd onder den eik.–Mondbehoeften en
schuimend bier werden aangebracht en de drinkhoorn geledigd op de
aanstaande overwinning.

 

Source: http://www.gutenberg.org/files/11288/11288-h/11288-h.htm

Happy reading!

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 240 other followers

%d bloggers like this: